Zusterarchie

Volgens schrijver Munganyende Hélène Christelle moeten we leren praten over de imperfecties van zusterschap. En ja: juist op Internationale Vrouwendag moeten we het hierover hebben. In haar eerste korte verhaal Zusterarchie (dat lees je goed) neemt ze ons mee in een openhartige flashback.

Munganyende Hélène Christelle telt 25 bewogen levensjaren tussen Kigali, Eindhoven en Brussel. Als zelf uitgeroepen Beyoncéoloog analyseert ze regelmatig de link tussen politiek en millenialcultuur. Ze publiceerde o.a. in  Vogue Nederland, De Correspondent en de Volkskrant. Momenteel is ze vaste Columnist voor OneWorld magazine. Vanuit haar woonplaats Brussel werkt ze aan haar debuut roman. | Foto Pleunie van Raak

Of zusterschap
We waren de enige zwarte meisjes van ons brugklasjaar, Nora en ik. Tenminste, zoals ik het me kan herinneren. Zwart en tienermeisje zijn tegelijk was zo ongeveer hetzelfde als niet bestaan. Bekeken worden met argwaan, terwijl je zichtbaar onzichtbaar bent. Nora droeg haar haar, een volle bos donkerbruine krulletjes, meestal los. Ze had het fijne gezicht van een Ethiopische. Op school droeg ze meestal een combinatie van merkkleding accessoires en H&M basics. Cardi B noemt dat in haar video’s “Rich bitch on a budget”. Dat budget bestond voor ons allemaal uit het wekelijkse zakgeld dat we kregen en beperkte zich vaak tot de keuze van vier broodjes kipcorn in de schoolkantine per week óf een paar H&M oorbellen uit het lokale winkelcentrum. Ik koos vaak voor dat laatste.

Voor Nora waren die zakgeld dilemma’s niet aan de orde. Ze had vijf zussen, waarvan er drie bij ons op school zaten. Ze hingen om haar heen als een brigade van vrouwelijke krijgers en paradeerden door de gangen van de school met opgeheven hoofd en neus. Ieder van hen die uiteindelijk afstudeerde aan onze middelbare school liet een mode reputatie achter, die als sporen dienden voor de jongere nakomeling om in te stappen. Omdat Nora’s zussen ouder waren, konden ze zich bovendien bijbaantjes veroorloven en daarmee meer dure spullen kopen dan alle twaalfjarige brugklaspiepers bij elkaar. De walm van Ici Paris parfums en het aanzicht van gouden Bijenkorf horloges hing als een statusschild om hen heen.

Status werd overgedragen binnen eenzelfde familie, zo luidden de regels van de brugklas. Van zus op zus. Van broer op broer. Van broer op zusje. Zusje-van zijn, bestond nooit op zichzelf. Als ik de geruchten in de brugklas wandelgangen moest geloven, was mijn broer in zijn eerste brugklasjaar al tot de koning van zijn lichting uitgeroepen. Die status had hij verworven door op de vuist te gaan met een groepje tiener skin heads. Die stonden in de pauze bij de hekken van de school racistische kreten te roepen naar hem en zijn Molukse en Surinaamse vrienden. De legende gaat vandaag nog steeds dat hij een van de langste onder hen, de ogenschijnlijke aanvoerder, had aangepakt toen die het n*woord naar hem riep. Mijn broer is ongeveer 1.70 meter, klein voor Nederlandse begrippen, gemiddeld voor Rwandese begrippen; hij moest naar verluidt minstens 20 centimeter de lucht in springen om de witte Goliath van 2 meter 10 op zijn bek te slaan.

Goed, zonder er veel woorden vuil aan te maken was het vanaf dat moment duidelijk dat er met mijn broer niet te sollen viel. En met mij ook niet, mits ik mij inschreef op diezelfde middelbare school. De paternalistische dynamiek daarvan maakte me op die leeftijd al ongemakkelijk. De gedachte dat ‘niemand aan je zusje moest komen.’ Die regel werd namelijk maar al te graag doorgetrokken tot aan je achttiende verjaardag. Reken maar uit mijn verlies.

Mijn grote broer zat op een havo lyceum, een middelbare school verderop in de wijk. Onder onze vriendengroep stond die school berucht om zijn witheid. We konden ons allemaal moeilijk voorstellen waarom een weldenkend persoon zich vrijwillig zou aandienen om er ingeschreven te worden. Andersom stond onze school bij het lyceum bekend als de multiculturele goot. Het was waar de kinderen die de havo niet haalden naartoe afdropen. Ik maakte de keuze voor mijn school, juist omdat het een mengschool was: vwo, havo en vmbo zaten er allemaal onder één dak. De gedachte dat ik zonder van school te wisselen kon doorstromen naar het niveau dat de goedkeuring van mijn ouders genoot, zonder in de pauzes alleen te hoeven staan, stelde me gerust. Tussen het onzichtbare zwarte tiener meisjes bestaan en het zusje-van legende, begrijp je natuurlijk dat ik anders geen schijn van kans maakte op de tiener datingmarkt. En dus schreef ik mij in op die mengschool.

Nora en ik stonden die middagpauze voor de horizontale spiegel van de wc in de westelijke vleugel. Onze school had enkel vleugels, geen trappen of liften, alles was op de begane grond. Het maakte de school een van de meest mobiel toegankelijke van de regio. “Noraaaaaa!” De klapdeur van de wc zwaaide open en Mathilde, één van Nora’s huidige klasgenoten die bij mij op de basisschool had gezeten zwierde triomfantelijk naar binnen. Mathilde liep met grote stappen op ons af, haar voeten sjokten ondanks dat gegeven, haar met bloemetjes bedrukte tas stuiterde op haar heupen. Mathilde kwam tussen mij en Nora in ook voor de spiegel staan. In het verblindende tl licht leek haar, haar meer wit dan blond. Haar hoofd draaide nu naar rechts, waar Nora stond. “Wat een prachtig haar heb jij toch meisje, hoe doe jij dat? Als ik me in de ochtend voor de spiegel klaarmaak kom ik niet veel verder dan dit”. Ze maakte daarbij een protesterende zwaai met haar handen door haar dunne blonde lokken, alsof ze er zeker van wilde zijn dat we zagen wat ze bedoelde.

Nora haalde verveeld haar schouders op en ontweek mijn blik.  Ze maakte het elastiekje in haar haar los en gooit haar hoofd naar voren om het in model te brengen. Ik keek heen en weer in de spiegel van hen naar mijzelf. Het viel me ineens op hoe dun en futloos mijn eigen haar van de vele relaxers was geworden. Morgen was de klassenfoto, ik moest mijn moeder zien te overtuigen human hair extensions voor me te kopen en…

Mathilde schrok me met haar bemoeienis op uit mijn gedachtestroom. “Hoe zit dat eigenlijk Chris? Waarom heb jíj niet zo’n volle bos krullen?” Waarom kan jij niet gewoon meer zoals Nora zijn?  Ik was de gedachtegang gewend. De voorkeur van mijn omgeving voor het type zwart dat Nora was en ik ver van afstond, had zich in de jaren van mijn aankomst in Nederland aan mij openbaart, in mijn omgang met zwarte kinderen van een verschillende achtergronden. Acceptabel zwart lag altijd dichter bij wat we zagen als wit.

Mathilde was gewoon een flapuit die zei wat de rest dacht. Net als Nora haalde ik mijn schouders op. “Ik hou gewoon van afwisseling. Als ik mijn haar laat uitgroeien, heb ik wel hetzelfde hoor.” Deels gelogen, deels gehoopt. Ik ontweek op mijn beurt Nora’s blik. De bel klonk, Mathilde’s teken om op tijd in de volgende les te zijn. Nora zag er minder gehaast uit. Ik maakte aanstalten om te vertrekken, om te voorkomen dat ik als laatste binnen zou komen en alle ogen van mijn nieuwe klasgenoten in mijn rug zou voelen prikken. Terwijl ik naar mijn les liep zag ik mijn felroze H&M oorbellen in het raam weerkaatsen.

Ik ging rechtop zitten in de les, iets wat je blijkbaar instinctief doet wanneer je je geïntimideerd voelt. Lichaamstaal geeft emotioneel commando aan de hersenen, dus dwong ik mijn hersenkronkels zo recht als mijn rug, in een protest tegen mijn eigen onzekerheid. Mijn maag begon te knagen, en ik had ineens intense spijt dat ik geen broodje kip corn had kunnen eten die pauze. Maar het knagen was niet alleen van de honger.

Ik ging mij voorstellen hoe het zou zijn om een neusverkleining te nemen. Als s‘avonds de lichten in mijn ouderlijk huis uitgingen, ging bij mij het computerscherm aan. Mijn favoriete zoekwoord op Google: ‘rhinoplasty’. De Amerikaanse benaming voor ‘etnische’ neuscorrecties, een veel voorkomende ingreep bij zwarte mensen en mensen van kleur. Nachtenlang struinde ik dan het internet af, op de dikke krakende Packard Bell van mijn vader. Ik zocht naar prijsvergelijkingen en foto’s  met na-resultaten van zwarte beroemdheden waarvan werd gezegd dat ze een neuscorrectie hadden gehad. Tyra Banks, de Jacksons, de Braxtons: neuscorrecties waren soms hele familieondernemingen en leken vooral een logisch onderdeel van opgroeien terwijl je zwart bent.

Ongeveer rond dezelfde tijd nam ik mijn eerste Jerry Curl. Op een klamme zomeravond op de zolderkamer van mijn Surinaamse ‘oma’. Zes uur en een duizelingwekkende toxische mengeling aan shampoos en conditioners later haalde ik daar twee keer per jaar het gewenste resultaat: piepkleine losse pijpenkrulletjes die uit mijn hoofdhuid ontsproten alsof ze er in diezelfde vorm uitgroeiden.

We stonden op de babyverdieping van een winkel op de Heuvelgalerie, waarvan ik niet wist dat het een bovenverdieping had, toen Nora een grap maakte over mijn uiterlijk. Zij kneep haar ogen tot spleetjes tot haar natuurlijk lange wimpers elkaar borstelden. Ze beet het me toe, alsof ze me het kwalijk nam. Dat het heus niet aan haar gelegen had, maar aan moeder natuur en dat ze puur de werkelijkheid schetste zoals die haar gepresenteerd werd. Donkere humor, vond ze dat zelf. En dan legde ze weer die bos krullen in haar nek en perste er een harde lach uit. Ik begreep het niet. Hier was geen publiek. We hoefden hier niet te doen alsof. En toch moest ze haar macht ook hier uitoefenen, de schijn van haar superioriteit in stand houden. Ik snoof hard, om het vermoeden te wekken dat ik niet onder de indruk was en liep naar beneden, de winkel uit.

Er was altijd al iets bevreemdends geweest aan Nora’s uitdrukking. Een onoprechtheid in de opwaartse krul van haar mondhoeken die haar glimlach deed lijken op een grimas. Bij het lachen gooide ze haar hoofd in haar nek, bijna theatraal. Ik ging een tijdje hetzelfde proberen, maar bij mij had het niet het gewenste effect dat ik in mijn hoofd had. Geen miljoenen zwarte pijpenkrullen die moeiteloos uit mijn hoofdhuid ontsproten en op mijn rug landden. Geen bewilderde blikken van puberjongens die zich afvroegen in welke posities ik nog meer zo mijn hoofd in mijn nek legde. Die telkens platte grappen maakten om een lach van mij te ontfutselen. Haar schoonheid in ruil voor hun acceptatie, een constante onderhandeling.

Mijn vader sprak in die jaren zelden over schoonheid. Hij keek vooral machteloos toe op hoe ik in de knoop lag over mijn uiterlijk. Maar op een middag nam hij mijn gezicht tussen zijn handen. Met zijn duim veegde hij over de rug van mijn neus en zei: “Dit is een familie erfstuk. De neus die ik een dertigtal jaren geleden erfde van mijn moeder, jullie oma en die al haar kinderen op hun beurt erfden van haar. In je broers en jou leeft haar evenbeeld voort. Onze neus is ons kroonjuweel, wees er zuinig op.” Ik dacht toen aan de Rhinocoros, de volumineuze, zwaarlijvige Godin van de Afrikaanse savanne, waar de neuscorrectie naar is vernoemd. Niet voor niets is ze bedreigd met uitsterven, in de ivoren klaroen die op haar trotse neus rust zouden volgens stropers helende krachten zitten.

Ik besloot mij mijn eigen hoorn nooit vrijwillig te zullen laten ontnemen. Magie zit in de kleine dingen, als je het toelaat.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *